Het Vleeshuis in de 19de eeuw: Opslagplaats, schouwburg en schildersatelier
De vleeshouwers konden het gigantische gebouw niet meer volledig gebruiken en verhuurden een deel aan een wijnhandelaar, die het gebouw zou opsplitsen en gebruiken als pakhuis. Enkele jaren later kocht deze wijnhandelaar, Johan Daniël Peyrot het Vleeshuis. Ondertussen werden het gelijkvoers en de bovenste verdiepingen gebruikt als opslagplaats. De gelijkvloerse verdieping werd zelfs met een tussenvloer in twee gedeeld. Op de eerste verdieping werd een theaterzaal ingericht en hadden talrijke schilders er hun atelier.
De eerste die er werkt, is de Lierenaar Cornelis Cels (1778-1859). Hij blijft van 1808 tot 1815. In het Vleeshuis borstelt Cels vooral religieuze doeken.
Omstreeks 1835 zijn Vleeshuis Niçaise de Keyser (1813-1887) en Gustave Wappers (1803-1874) in het Vleeshuis actief. De Keyser schildert er De Slag der Gulden Sporen (1836). Volgens de overlevering komt de jonge Hendrik Conscience naar het doek kijken.
Gustave Wappers (1803-1874) borstelt De zelfverloochening van burgemeester Pieter van der Werft (1830, Utrecht, Centraal Museum) en Een episode uit de Septemberdagen te Brussel (ca. 1835, Brussel, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten).
Zowel De Keyser als Wappers doceren aan de Antwerpse Academie en brengen het tot directeur.
Ook Hendrik Rafael Schaefels (1785-1857) geeft tekenles in het Vleeshuis. Zijn zoon Rik Schaefels (1827-1904) zet het voort. Net zoals die van De Keyser, verlaten zijn leerlingen het gebouw pas in 1899.
De “tooneelmaetschappy” Liefde en Eendragt speelt vanaf 1825 “op de zaal boven de vleeschhal”. De leden acteren niet alleen, maar zingen en dansen ook. Bovendien huren ze muzikanten in. Zo komt het dat ze behalve Franse en Nederlandse toneelstukken ook lichtvoetige “zangspelen” en soms zelfs een bedrijf uit een heuse opera brengen.
Wellicht werkte orgelbouwer Jean Joseph Delhaye (1786-1848) eveneens in het Vleeshuis. Hij stamde uit een bekende familie van orgelbouwers, actief sinds het begin van de 18de eeuw.
Na een aantal mislukte pogingen kon het stadsbestuur in 1899 het gebouw kopen, met de bedoeling er het stadsarchief onder te brengen. Het gebouw werd gerestaureerd en ingericht door stadsarchitect Alexis Van Mechelen. Ondertussen was beslist er het museum voor oudheidkunde onder te brengen, dat in 1913 zijn deuren kon openen.
|