Het Vleeshuis
Onder de weinige nog bewaarde vleeshuizen in de Nederlanden, valt het Antwerpse vleeshuis op door zijn monumentaliteit. Het is wellicht het derde vleeshuis dat hier werd gebouwd. Over het eerste is weinig geweten. Het tweede dateerde van ca. 1250 en was haaks op het huidige vleeshuis georiënteerd. In 1501, bij het begin van Antwerpens Gouden Eeuw, liet de gilde der beenhouwers een groter vleeshuis bouwen, naar alle waarschijnlijkheid door bouwmeester Herman de Waghemaekere en zijn zoon Domien. De verkoopshalle werd in gebruik genomen in 1504.
Het gebouw is een van de gaafste voorbeelden van de traditionele bak- en zandsteenarchitectuur. Hoewel bezoekers de grote hal op het gelijkvloers vaak vergelijken met een kerkinterieur, zijn de traptorens en trapgevels rechtstreeks ontleend aan de gangbare burgerlijke architectuur van die tijd. Omdat men met de toen beschikbare middelen geen breedte van 17 meter kon overspannen is het hele gebouw van binnen in twee helften verdeeld door muren en zuilen. Elke helft overspant ongeveer 7,5 meter, destijds de gebruikelijke maximale lengte van een eiken balk en bijgevolg ook de maximale breedte van een burgerhuis. Naast de eiken balken, gebruikte men bij voorkeur materialen die makkelijk beschikbaar waren, onder andere door vervoer over de Schelde. Baksteen werd afgewisseld met zandsteen – Balegem voor zuilen en speklagen en de makkelijk te bewerken ‘Gobertange’ voor de ornamenten – en blauwe hardsteen rond de deuropeningen en voor de trappen, en leien op het dak.
Het dakgebinte
Het indrukwekkende dakgebinte is vermoedelijk oorspronkelijk. Het steile dak heeft een hellingshoek van 54 graden en is 16 meter hoog, bijna de helft van de totale hoogte van het Vleeshuis. Het torende hoog boven de toenmalige stad en gaf het gebouw veel aanzien.
Het bestaat uit 15 achter elkaar geplaatste spanten, onderling verbonden door lange rijen horizontale balken. Schuine verbindingen geven de draagstructuur haar stijfheid. Op deze structuur komen keperbalken met planken waarop de leien zijn genageld. Het totale dakoppervlak bedraagt ca.1400m².
Dit type gebinte is kenmerkend voor onze contreien en werd eeuwenlang toegepast. De balken zijn onderling verbonden door pen- en gatverbindingen. Aan het uiteinde van een balk is een pen voorzien die in een gleuf in de andere balk schuift. In beide delen zijn gaten geboord, waardoor houten toognagels worden geslagen.
De driehoekige spanten zelf bestaan uit vijf gestapelde delen. De horizontale trekbalken van het spant vangen de zijdelingse druk op. De centrale muur die de overspanning tussen de beide buitengevels halveert, komt tot ongeveer halverwege het gebinte. Dank zij die muur moet geen enkele trekbalk meer dan 7,5 meter overspannen, destijds de meest gangbare maximale lengte waarin een eiken balk verkrijgbaar was.
|